De ‘zelfbewuste blindheid’ van de Nederlanders: een kritiek aan Rob Wijnberg

Het boek van Sinterklaas

27 Oktober 2013

In het korte artikel dat Rob Wijnberg een paar dagen geleden op De Correspondent plaatste, legt hij helder uit welke denkfout aan het begrip ‘ras’ ten grondslag ligt. Hij komt daarna met een verklaring welke volgende denkfout de anti-zwarte-pietactivisten maken van de “Zwarte Piet is Racisme”-kwestie. De uiteindelijke conclusie: omwille van deze laatste fout is het niet raar dat Nederlanders enigszins op de tenen getrapt zijn.

Aangezien dit artikel momenteel circuleert voorzien van de opmerking dat hier eindelijk eens iets verstandigs gezegd wordt, en ik er daarentegen van overtuigd ben dat er juist bij Wijnberg een grove denkfout optreedt, zie ik me genoodzaakt te reageren. Ik houd me hierbij vrij strikt aan Wijnbergs tekst, en stel me enkel ten doel te bewijzen dat hij inderdaad fout zit, waarbij een alternatieve positie moet doorschemeren.

Wijnbergs essai draagt de spannende titel: “Wat we niet zien”, en begint met een aantal paragrafen waarin hij nog eens uitlegt hoe hij over ras denkt. Als je dit leest, overvalt je het gevoel van “dit wist ik”; Wijnbergs uitleg is inderdaad hetzelfde verhaal dat veel mensen je spontaan zullen vertellen als je ze naar ‘ras’ vraagt. Ras is niet iets dat écht in menselijke genen zit, maar een uitvinding van de mens, die bovendien het doel heeft om een hiërarchische rangorde tussen groepen mensen uit te roepen. Juist ja. En toch gaat er al iets verkeerd in de manier waarop Wijnberg de misvatting van het rassendenken beschrijft. Ik citeer de eerste alinea:

“Ik ben een raciaal scepticus. Dat wil zeggen dat ik, net als een hele waslijst aan moderne denkers, het concept ‘ras’ beschouw als een culturele misvatting, die is ontstaan in een tijd dat men nog niet zoveel wist over de biologie van de menselijke soort. Of simpeler gezegd: ik geloof niet dat het woord ‘ras’ verwijst naar iets dat werkelijk bestaat.”

Het grote boek is geopend. De opvatting die Wijnberg hier uitlegt is een gemeenplaats, die hij van het deftige etiket “raciaal scepticisme” voorziet. Het probleem in deze alinea is dat er eerst kort sprake is van ‘ras’ als “culturele misvatting” en verderop van ‘ras’ als kennisprobleem. Wijnberg gebruikt deze begrippen hier als synoniemen, maar belicht verderop in zijn tekst alleen nog maar de implicaties van ‘ras’ als kennisprobleem, en laat de culturele aspecten onbesproken. ‘Ras’, enkel als kennisprobleem of daarenboven ook als cultureel probleem te zien ligt qua politieke implicaties echter mijlenver uit elkaar.

Het kennistheoretische aspect van het rassendenken zet Wijnberg prima uiteen, en is samen te vatten in één zin. Op een gegeven moment in de geschiedenis van de wetenschap heeft men het idee van taxonomie (opsplitsing in diersoorten) op hiërarchische wijze toegepast op het genus mens, zonder daar bewijs voor te hebben (zoals DNA dat had kunnen zijn). Nu dat de wetenschap daar verder mee is blijkt dit project in beginne verkeerd en moet de daarop gebouwde ‘kennis’ in zijn geheel verworpen worden.

Dat klopt volledig. Dit inzicht is dan ook een van de belangrijke wapens in de strijd tegen racisme. Het hierbij laten, getuigt echter van een gebrek aan historisch bewustzijn over wat ‘racisme’ nu eigenlijk is. Voor Wijnberg is racisme namelijk dat je gelooft in de waarheid van een verkeerde theorie, en vervolgens, gebaseerd op die overtuiging, verkeerd handelt in de wereld. Daarmee zou het probleem van het racisme dus ook opgelost zijn, mits je jezelf van deze foutieve gedachte bevrijdt. Wijnberg is er bovendien van overtuigd dat hijzelf en een groot gedeelte van de Nederlandse bevolking daarin reeds geslaagd zijn. Maar deze gedachte is gefundeerd door een simplistisch idee over de relatie tussen denken en doen, waardoor de verantwoordelijke houding die hij retorisch aanneemt, eigenlijk alweer bij zijn eerste premisse in lucht opgaat.

‘Racisme’ en ‘discriminatie’ als culturele fenomenen hebben veel meer met sociaal aangeleerde, belichaamde, en impliciet geïnstitutionaliseerde patronen van handelen te maken waarvan de mens zich meestal niet (heel) bewust is. Als je jezelf de vraag stelt of je wel eens discriminerend gehandeld hebt, dekt een blik op je ‘bewuste overtuiging’ de problematiek geenszins af. Historisch gezien bestond ‘rassendenken’ zelf dan ook al lang voor de zogenaamde ‘rassenwetenschap’, namelijk als sociale categorie van groepsdenken. Ook deze manier van doen, waarbij mensen op grond van sociale mechanismen (maar zonder ‘natuurwetenschappelijke’ onderbouwing) gecategoriseerd en gerangschikt, maar vooral verschillend behandeld worden, herkennen we vandaag als verkeerd, zowel op het niveau van kennis als op dat van politiek (vandaar anti-discriminatie als politiek doel). Duidelijke sporen van dit culturele mechanisme zijn te vinden door de eeuwen heen, bij Aristoteles, in de bijbel, enzovoorts. Belangrijk is om vast te stellen dat we dit al deden voordat er een ‘wetenschappelijke’ verklaring voor werd uitgevonden, een denkwijze. Pas in de zeventiende en achttiende eeuw kristalliseert er in Europa een wetenschappelijk denken uit dat voor deze handelingswijze een foutief ‘wetenschappelijk fundament’ creëert. Als je een culturele opvatting van racisme hanteert, waarin doen en denken op ingewikkelde voet met elkaar staan, is het echter ook een stuk lastiger om enkel gebaseerd op iemands opvatting te beoordelen of hij/zij daadwerkelijk gevoelig met deze kwestie omgaat.

Als vervolgens in de 20e eeuw dit foute denken wetenschappelijk definitief de nek omgedraaid wordt, en er zich een nieuwe opvatting verspreidt, is daarmee nog geenszins gegarandeerd dat het fenomeen racisme daarmee geleidelijk zal verdwijnen. De mens is namelijk prima in staat om, zonder van essentialistische theorieën overtuigd te zijn, mensen langs grof en gewelddadig getrokken groepslijnen op basis van vooroordelen heel verschillend te behandelen, en daarmee een wereld te recreëren waarin discriminatie een belangrijk principe van sociale organisatie blijft. Als Europeanen kunnen we dagelijks observeren hoe sommige beroepsgroepen bijna uitsluitend uit “buitenlanders” bestaan, hoe mensen verschillend behandeld worden binnen bureaucratieën en instituties, hoe we retorisch omgaan met migranten die “hier niet thuishoren”, de opkomst van rechts-nationalistische partijen zoals de PVV, etc. Tevens is het hele Europese project gebaseerd op een grote denkbeeldige muur om een territorium. Die muur repliceert zich discursief. Racisme is een cultureel fenomeen dat veel breder is dan de zonet besproken wetenschappelijke misvatting, een manier van doen, begeleid door een zich transformerend denken. Racisme heeft veel meer met onbewuste manieren van handelen en automatismen te maken die sociaal aangeleerd zijn. Daarvoor moeten we kritisch in de spiegel en naar de maatschappij kijken, om ons er bewust van te worden.

Een filosoof-journalist (zoals Wijnberg zich presenteert) heeft naar mijn opvatting dus niet de taak om zijn lezers te herinneren aan oude, ontkrachte wetenschappelijke doctrines en aan hand daarvan de relevantie van een sociaal-culturele problematiek te bagatelliseren. Veel meer zou hij zich moeten inspannen om een zich ontplooiende manier van doen op de juiste manier kritisch te denken, dus ook op zoek moet gaan naar de continuïteit tussen oude en nieuwe vormen van uitsluiting. Wijnbergs uiteenzetting lijdt aan vergetelheid van geschiedenis en de drang om het probleem van ‘ras’ tot een kennisprobleem te reduceren. Hij noemt zijn houding ‘raciaal scepticisme’, maar dit betekent eigenlijk dus dat hij zowel sceptisch is over de raswetenschap áls over de mogelijkheid dat dit een reële en ernstige sociaal-politieke problematiek zou kunnen zijn. Hij stelt zich eigenlijk alleen de vraag “wat zie IK?”, en verbergt het eigenlijke probleem daarmee veel meer dan dat hij het ontbloot. Bovendien gaat dit vraagstuk helemaal niet over wat hij denkt te zien, of denkt te denken. Het gaat over wat de Nederlanders doen, Rob Wijnberg incluis, en dat is wezenlijk gecompliceerder.

Goed. Met deze problematische premisse over de betekenis van de woorden ‘ras’ en ‘racisme’ kritiseert Wijnberg in het tweede deel van zijn tekst Quinsy Gario, prominent anti-zwarte-pietactivist die bij Pauw en Witteman zijn stelling uiteenzette. Twee aspecten worden door Wijnberg belicht: ten eerste gebruikt Quinsy het woord ‘we’ om over zwarten in Nederland te praten, en vervalt hierdoor, volgens Wijnberg, in hetzelfde rassendenken waar hij vanaf wil. Ten tweede bekritiseert Wijnberg de leus “Zwarte Piet is Racisme”, omdat het woord ‘is’ er volgens hem verkeerd en daarom irriterend in gebruikt wordt.

Wijnberg drukt zich betrekkelijk het eerste ‘probleem’ als volgt uit:

“Gario maakt bezwaar tegen de morele hiërarchie die de verhouding tussen Sinterklaas en Zwarte Piet volgens hem uitstraalt (iets waar ik een heel eind in mee kan gaan), maar beroept zich daarbij tegelijkertijd op precies dat essentialistische denken in categorieën die aan deze hiërarchie ten grondslag ligt: hij vindt Zwarte Piet een belediging van ‘zwarten’ – een groep die hij ook nog eens aanduidt als ‘wij’. Voor een raciaal scepticus verraadt dit een vervelend soort hypocrisie: van het rassendenken afwillen en je er vervolgens op beroepen.”

Wijnberg demonstreert hier op prachtig naïeve wijze dat hij een elementair feit over minderhedenpolitiek niet begrepen heeft. Dit hangt uiteraard strikt samen met zijn denkfout over het begrip ‘ras’. Gario beroept zich namelijk helemaal niet op ‘precies dat essentialistische denken’. Het woord ‘zwarten’ functioneert hier enkel om de minderheid te benoemen die historisch geconstrueerd en daardoor wel degelijk een ‘echt bestaande’ groep binnen de Nederlandse samenleving is. Een minderheidsgroep kan zich überhaupt alleen verdedigen tegen discriminatie als ze zichzelf als sociaal geconstrueerde groep kan identificeren en daardoor onderling solidair kan zijn. Lidmaatschap van deze groep wordt helemaal niet gebaseerd op een foutieve wetenschappelijke fantasie over essentiële eigenschappen, maar op een culturele identiteit die, onder andere, de strijd tegen discriminatie en soms een gedeeld slavernijverleden inhoudt. Dit is helemaal geen “vervelend soort hypocrisie”, maar de lastige situatie waarop minderhedenpolitiek zich noodgedwongen moet baseren. De geschiedenisblinde houding van Wijnberg leidt hem dus regelrecht naar een ontkenning van de mogelijkheid van elke minderhedenpolitiek. Erg raar, voor een ‘linkse’ journalist.

Zijn tweede kritiek aan Quinsy is wellicht nog ergerlijker, omdat hij hier niet alleen met een foute premisse op foute conclusies uitkomt, maar bovendien filosofisch slordig wordt. Over Quinsy’s slogan schrijft hij:

“Nog problematischer wordt het door de slogan die hij heeft gekozen voor deze aanklacht: ‘Zwarte Piet is racisme‘. Die ‘is’ is voor mij het probleem: ‘ras’ is een misvatting in de sfeer van de perceptie, niet in de sfeer van het zijn. Racisten zien groepen die er niet werkelijk zijn en trekken daar moreel verwerpelijke conclusies uit.”

Deze passage is, onder de loep genomen, zo nietszeggend en verkeerd dat hij alleen geïnterpreteerd kan worden als het filosofische equivalent van aandachttrekkerij, gefriemel ten koste van de kunst. Quinsy’s slogan gebruikt het woord ‘is’ om iets te beschrijven dat alleen van de orde van perceptie zou zijn. Sowieso zijn er minstens vier manieren waarop het woord is gebruikt kan worden, wat deze opmerking al simplistisch maakt. Maar zelfs als we even aannemen dat racisme inderdaad enkel “in de sfeer van de perceptie” zou zijn, dan klopt er al niks van. Er zijn namelijk heel veel woorden die alleen betrekking hebben tot onze perceptie, zoals ‘groot’, ‘zwart’, ‘lelijk’, etc. Als iemand zegt “piet is zwart” springt Wijnberg ook niet op om ons eraan te herinneren dat ‘zwart’ enkel in de orde van de perceptie, en niet in de orde van het zijn thuishoort. Het is namelijk klinkklare onzin. Wijnberg begint zijn artikel zelfs met een zin die precies hetzelfde doet: “Ik ben raciaal scepticus”. Jezelf tot ‘raciaal scepticus’ te verklaren is een kwestie van zelfperceptie, en dus even fout als Quincy’s slogan. Ik persoonlijk erger me inmiddels aan alle vier deze woorden: ‘Ik’ door zijn narcistische inslag; ‘ben’ omdat in een artikel over racisme het zelfbeeld van de schrijver nu juist hoort te worden ondervraagd, niet gewoon uitgeroepen dient te worden; ‘raciaal’ omdat Wijnberg de kritische lading van dit woord niet afdekt maar ondermijnt; en ‘scepticus’ omdat hij eigenlijk alleen een selectieve en zelfbevestigende zeurpiet is, en helemaal geen scepticus in de filosofische zin.

Dit is al lastig genoeg. Maar bovendien klopt het ook nog eens niet dat racisme niks met de deftige ‘sfeer van het zijn’ te maken heeft. Volgens de ontologie, de filosofische wetenschap die zich met deze vraag bezig houdt, is het zijn van de mens namelijk open, en hangt het er voor een groot gedeelte vanaf hoe de mens zijn eigen zijn begrijpt. Als je dus denkt of handelt alsof specifieke groepen mensen fundamenteel anders zijn dan jijzelf, is dat wel degelijk in de ‘sfeer van het zijn’: het zijn van de mens. Wijnbergs beroep op de filosofie is dus frauduleus, en valt voor elke filosofische lezer direct door de mand.

Afgezien van de fouten in Wijnbergs reconstructie van Quinsy’s positie, is zijn kritiek ook daarom flauwe kost, omdat hij zich enkel op Quisy’s slogan betrekt, en geen enkele moeite heeft gedaan om zich te informeren over de ideeën daarachter, wat een journalist in ieder geval toch even zou kunnen doen. Maar nee, Wijnberg reageert, net als de rest van Nederland, enkel en alleen vanuit zijn gut feeling.

Het is daarom ook weinig verbazend dat Wijnberg in de zinnen daarop definitief van de ik-vorm naar de we-vorm oversteekt, en zich verliest in een klassiek staaltje wij-zij denken in toenemend emotioneel taalgebruik:

“Maar wie net als ik een raciaal scepticus is (en dat is, durf ik te beweren, een substantieel deel van de Nederlanders), is het nogal een aantijging om te stellen dat Zwarte Piet racisme is: je wrijft velen daarmee aan iets niet te zien waar we – na een eeuwenlang proces van Verlichting – juist bewust blind voor zijn (en blind voor willen zijn).”

Het is nogál een brutaliteit om je als nationaal ‘we’ te beroepen op ‘een eeuwenlang proces van Verlichting’ tegen racisme in een land dat zijn laatste stappen in de afschaffing van de slavernij pas voltrok in 1910 (!) en zijn eerste monument voor zijn slavernijverleden pas bouwde in 2002 (!!). Bovendien kristalliseerden de ergste vormen van de voorheen bekritiseerde rassenwetenschap nu juist precies ten tijde van die zogenaamde Verlichting. Verlichtingsfilosofen zoals Kant waren zelfs expliciete rassendenkers, zelfs volgens Wijnbergs definitie.

Daarna formuleert Wijnberg de kern van zijn standpunt in de vorm van een strikte paradox: we zijn er bewust blind voor. (en willen er blind voor zijn.) Hoe vaker je dit leest, hoe absurder het wordt. Van alle mogelijke combinaties van de woorden ‘bewust’/’onbewust’ en ‘blind’/’waarnemend’ is dit namelijk de énige die echt onmogelijk is. Als je ergens blind voor bent, is dat namelijk per definitie onbewust. Zodra je je ergens bewust van bent, heb je het dus sowieso waargenomen; hoe je er op reageert is dan de volgende vraag. Ik vertegenwoordig, in tegenstelling tot Wijnberg, de opvatting dat de meerderheid van de Europese burgers ‘ras’ onbewust waarnemen, en dus wel degelijk af en toe in de fout schieten met discriminatie en zich vaak ongevoelig opstellen tegenover minderhedenpolitiek. Marx schreef ooit over bewustzijn: “Sie wissen das nicht, aber sie tun es.” Dit is een risico dat we allemaal ten alle tijden lopen. Ons huidig politiek systeem staat ons helemaal niet toe om dit te ontlopen. De enige optie is om continu, zonder daarin ooit volledig te slagen, te proberen om op te klimmen naar de positie ‘we nemen het bewust waar’. ‘Bewust’ moeten we ons worden van de pertinentie van deze problematiek, en natuurlijk zonder het essentialistische denken te herhalen. Wijnbergs paradoxale positie ‘we zijn er bewust blind voor’ is echter precies die éne optie die de mogelijkheid van dit ethische streven naar bewustzijn kan voorkomen. Er bestaan alleen goede en foute vormen van bewustzijn, waar we ons mee bezig moeten houden. Een ‘goede vorm van blindheid’ is een onmogelijkheid; een naïeve en onfilosofische fictie om onder alle verantwoordelijkheid uit te komen. Het is dan ook deze positie die massaal geconfronteerd wordt in de zwarte pietendiscussie.

De mogelijkheid dat Wijnbergs positie als blanke man binnen de Nederlandse samenleving en de Nederlandse media implicaties zou kunnen hebben voor zijn houding is na deze paradoxe stellingname compleet uit het zicht verdwenen. Hij kan zich nog net wel voorstellen dat andere Nederlanders de fout in zouden kunnen gaan, maar ook dat zal zijn absurde irritatie over het ‘is’ van ‘Zwarte Piet is Racisme’ niet wegnemen.

Hij heeft definitief zijn Sinterklaaspak aangetrokken, als hij over Quinsy schrijft: “zijn streven is nobel, maar zijn beklag precies verkeerd”. Hij zou namelijk om empathie vragen, zonder deze zelf op te kunnen brengen. Maar ook dit is wederom een misconstructie van Quinsy’s intentie én een faliekant verkeerde manier om de redelijkheid van zijn positie te beoordelen. Als vertegenwoordiger van een groep Nederlandse staatsburgers verwacht Quinsy namelijk terecht dat hij de empathie die nodig is, zodat er überhaupt naar hem geluisterd wordt, niet eerst hoeft te verwerven. Deze minimale empathie is veel meer een voorwaarde van democratie überhaupt. Wijnberg doet hier echter alsof Quinsy deze minimaal noodzakelijke empathie eerst moet verwerven. Eigenlijk is dit praktisch hetzelfde als hem niet als volledig burger te behandelen, en dat terwijl hij als vertegenwoordiger van een minderheid spreekt. De vraag naar empathie is in een democratie als discussie tussen gelijken, in ieder geval aanvankelijk, nu juist irrelevant. Quinsy vraagt er daarom ook helemaal niet om. Hij vraagt om een publieke discussie over een politiek relevant punt. Politiek, omdat het met de positionering van verschillende groepen binnen de samenleving gaat. Wijnberg drukt zijn punt als volgt uit:

“Dat Gario pleit voor meer empathie voor mensen die moeite hebben met Zwarte Piet als fenomeen, vind ik alleszins sympathiek. Jammer alleen dat hij die empathie andersom niet lijkt te kunnen opbrengen: mensen van het ‘andere soort’, uit naam van ‘jouw soort’ racisme aanwrijven die ze op geen enkele manier etaleren, enkel omdat ze een traditie vieren, is evengoed belachelijk.”

We lezen hier toch niks minder dan een pater familias, die een boos kind ertoe oproept, zich a priori aardig op te stellen, voordat deze vader überhaupt weet of dat andere kind wel of niet iets ergs gedaan heeft? Nog extremer neemt deze partijdige vader het andere kind maar meteen in bescherming, omdat ‘wij’ in ieder geval niet onaardig doen. Deze oproep om a priori lief te zijn is de zaaddodende pasta van de geëngageerde politiek, en een belediging aan iedereen die zich aangegrepen voor een politiek doel inzet. Het is trouwens niet alleen misplaatst, en neerbuigend naar Quincy om zijn oproep zo samen te vatten. Daarnaast is het ook pedagogisch bijzonder gewelddadig om van een boos kind te eisen dat het eerst lief wordt voordat we ons bereid tonen naar hem/haar te luisteren. Het is namelijk altijd mogelijk dat boosheid terecht is. Ook deze laatste optie, die van terechte boosheid, wordt Quinsy door Wijnberg al van tevoren afgenomen. Bewust blind?

In de laatste regels van zijn slotalinea valt Wijnbergs poging om zichzelf als neutraal (impliciet vaderlijk) oordelend subject neer te zetten ook nog definitief in het water. Hij kan het namelijk niet laten om over de rug van zijn koele ‘filosofische’ analyse nog even passief-aggressief te gaan roepen van ‘wij’ naar ‘jullie’:

“Vind je het gek dat zoveel mensen dan als door een bij gestoken reageren? En ‘moe’ van ‘die discussie’ worden?”

Ik schrik me kapot hoe expliciet anti-filosofisch en eigenlijk ook anti-journalistisch Wijnberg inmiddels bezig is. Alle gebaren waarvan Wijnberg Quinsy bekritiseert, zijn namelijk de klassieke gebaren die een filosoof maakt. Ja natuurlijk vindt een filosoof ‘het gek’! Ja, een filosoof ‘wrijft de mensen iets aan’ dat ze irriteert, en is met scherpe kritiek een ongewenste gast. Nee! een filosoof is niet tevreden met ‘bewuste’ blindheid of andere vormen van zelfbedrog, en nee, een filosoof is niet empathisch of lief… op zijn best zachtaardig. Het zelfuitgeroepen zelfbeeld van de Nederlander wordt hier onderzocht, en wie daarvoor de filosofie erbij trekt, kan een wespennest verwachten. In hoeverre andersdenkenden getolereerd worden is daarbij een maatstaf, hoe het met een democratie gaat. De enige filosoof die in deze tekst voorkomt, is dan ook Quinsy Gario. Omdat hij vragen stelt. Wijnberg doet echter alles om het stellen van vragen te voorkomen.

Rob Wijnberg noemt zichzelf correspondent media, politiek, en filosofie. Hij vat elk van deze woorden nogal losjes op. ‘Media’, kan hij afvinken omdat hij Pauw &Witteman bekeken heeft – een blik op Quinsy’s website kan er niet eens vanaf. Hij is dus correspondent ‘media’ net als iedere andere reaguurder; iemand die media consumeert en dan zijn mening op het internet plempt. ‘Politiek’ vanwege het onderwerp – zonder dat Wijnberg het nodig vindt zelfs absolute basiskennis over democratie of minderhedenpolitiek erbij te halen. ‘Filosofie’ omdat hij ons met een onvolledige gedachte over ‘ras’ beleert – zonder ook maar minimaal op de hoogte te zijn van een scala aan filosofische racismekritiek, van kritische theorie tot critical whiteness studies. En een echte correspondent is hij ook niet, die had namelijk een brief aan Quinsy zelf geschreven, in plaats van aan zijn kleine leger van ‘progressieve nieuwslezers’.

Journalistiek is het ook niet. Hij doet geen onderzoek, doet niet zijn best om een nieuwe opvatting aan zijn lezers te presenteren, maar doceert vooral gewoon zijn eigen vooroordelen in een web 2.0 jasje. Het is precies de ‘instantopinie’ waar Wijnberg nu juist vanaf wilde toen hij de Correspondent opstartte. Ik vind dit ook vooral zo teleurstellend, omdat dit ook écht een Nederlands probleem is. Ga maar eens bij the Guardian kijken of iemand zich zó cru uit over racisme. In tegenstelling zul je een reeks aan artikelen vinden die zich er bewust mee uiteenzetten.

Toen Rob Wijnberg een aantal maanden geleden geld begon in te zamelen voor de Correspondent was er buiten de grote media kritiek op het gebrek aan diversiteit binnen de journalistengroep die hij had samengesteld. Mijn vriendin drukte het mooi uit toen ze zei: “waarom zou ik nieuws willen lezen van [12] blanke mannen en Femke Halsema?” Vergelijkbare opmerkingen zag je hier en daar op het internet. In het licht van deze discussie denk ik dat we Wijnbergs column over Zwarte Piet “Wat we niet zien” ook wel een beetje als een repliek op deze kritiek mogen lezen. Hij heeft niet op ‘ras’ en ‘geslacht’ gelet toen hij dit team samenstelde, dat ziet hij namelijk niet. Daarmee heeft zijn droom om een links-progressief nieuwsmedium te creëren dan ook vanaf het begin weinig kans om te slagen. Met die houding kun je namelijk nooit de daarvoor nodige diversiteit bewaken. Wijnberg schreef zelf ooit: “Journalisten zijn overwegend ‘links’, maar hun product is dat allerminst.” De Correspondent heeft nog veel werk aan de winkel.

Om dit artikel dan toch een beetje vrolijk af te sluiten, zonder Wijnberg een racismeaanklacht naar zijn hoofd te slingeren, hier een ironist die deze hele problematiek in 1991 al veel beter begrepen had:

Hier nog een link naar het mijn Engelstalig artikel uit 2011 over Zwarte Piet: A Triple Crisis of the Face: Justice in the Tradition of Zwarte Piet. Ik analyseer daarin de argumentatieve strijd die de Nederlanders ter verdediging van Zwarte Piet voeren op ironische en filosofische wijze.

5 thoughts on “De ‘zelfbewuste blindheid’ van de Nederlanders: een kritiek aan Rob Wijnberg

  1. Hulde, Roland. Dit is een veel betere verwoording van mijn reactie op Wijnberg’s artikel. Prachtig natuurlijk om een filosofisch standpunt in te nemen, maar het verdraait de praktijk op een onrealistische manier. Mensen die zich gediscrimineerd voelen van racisme beschuldigen vond ik nog het meest kwalijke.

  2. Gedachten along these lines had ik gisteravond toevallig na nogmaals het artikel van RW gelezen te hebben. Blij dat je zo eloquent uiteen weet te zetten wat veel mensen voelen na het lezen van het artikel van Wijnberg. Het gebrek aan zelfreflectie en empathie steekt op de meest onvoorspelbare plaatsen de kop op. Fantastic work!! thanks!!

  3. Dankjewel Roland, geweldig uiteen gezet! Ik was zelf ook echt geschrokken van Wijnberg’s artikel, wilde er graag op gaan reageren, maar hoef nu alleen jouw artikel aan te halen.
    Wat ik – naast alle punten die jij aanhaalt – zeer problematisch vond is het gebrek aan een heuristische houding; de oprechte wens om iemand te willen begrijpen. Al behandel jij het ook in je alinea’s over empathie.
    Ik vond de overeenkomst in redenatie tussen Rijkman Groenink over zijn bonus en het verhaal van Wijnberg treffend: ze hanteren een soort logische argumentatie (waarop bij Wijnberg dus nogal wat af te dingen valt) waar ze hun conclusie uit halen. Wanneer Groenink werd gevraagd of hij zijn bonus had moeten accepteren, begon hij uit te leggen hoe de bonusstructuur werkte, en hoe die tot stand was gekomen etc. Hij leek echt niet te begrijpen wat mensen bedoelden met de opmerking dat hij – volkomen los van alle geschiedenis en regels en afspraken – er gewoon van af zou moeten zien. En zo zijn er nog wel wat figuren uit de recente geschiedenis die zo redeneerden; volkomen losgezogen van de werkelijkheid en vast in hun eigen koker.

    Enfin, veel dank voor je artikel. Geweldig gedaan!

  4. Beste Roland,

    Prachtige kritiek op Wijnberg’s column, waar je terecht niets heel van laat. Ik heb jouw artikel op zoveel mogelijk plekken gedeeld, zeker waar mensen na eerste lezing direct overtuigd waren van Wijnberg’s gelijk. Wat mij vooral stoorde is dat hij zijn eigen kritiek niet toepast op de verhouding tussen de Sint en de Pieten zelf. Indien hij daarin de raciale misvattingen had gezien, dan had hij net zo goed zijn kritiek kunnen richten op de voorstanders van Zwarte Piet in plaats van alleen op de tegenstanders. Zijn eigen kritiek klopt in de eerste plaats dus al niet, doordat hij niet eens inziet wat de consequenties daarvan zouden zijn.

    Groet!

  5. I have checked your website and i’ve found some duplicate content,
    that’s why you don’t rank high in google’s search results,
    but there is a tool that can help you to create 100% unique content,
    search for: Boorfe’s tips unlimited content

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Proudly powered by WordPress
Theme: Esquire by Matthew Buchanan.